"Oom Henk is overleden"

Maandag 2 mei 1949

De grote slag is gevallen 1.

Het was stralend weer, na al die koude dagen. Om elf uur kregen we een telefoontje van Tante Nellie, dat het met de toestand van oom Henk plotseling slecht was geworden. Wij wisten toen niet dat het al gebeurd was. Ik sprak met mama af dat ik na het eten er direct zou heen gaan. Maar bij half ťťn kwam oom Ferrie al zeggen dat het voorbij was. Wij zagen het al aan oom Ferrie's gezicht nog voordat hij iets had gezegd. Wij waren diep terneer geslagen, de slag kwam te plotseling.

Ik wist in de eerste ogenblikken niet of ik me nu moest kleden of niet. Toen begonnen we ons te haasten om naar het ziekenhuis te gaan. Monique brachten we bij de buren, haar konden we nu niet meenemen.

Om twee uur waren we aan de Bergweg. Er was niets of niemand te zien in de gang, en op de deur stond het hatelijke bordje "Bezet". Ik zag door de matglazen dat het schemer gemaakt was in de sterfkamer. Wij wisten niet wat te doen, en ik stond een ogenblik met de knop van de deur in m'n hand. Gelukkig kwam daar een zuster, degene die oom Henk steeds verzorgde. Zij beduidde ons even te wachten, en ik zag haar schim door de matglazen heen en weer gaan. Het leek mij een hele tijd te duren.
Eindelijk mochten we naar binnen. De stilte van de dood heerste er. Ik zag de vormen van een lichaam onder een laken, met drie verhogingen van de neus, de handen en de voeten. De zuster sloeg het laken terug, en een diepe ontroering trof mij en snoerde m'n keel bijna dicht. Nu werd het mama te machtig, zij zonk op haar knieŽn en brak in snikken uit.
Buiten hoorde ik een merel fluiten, en mijn gedachten gingen terug naar de vrijdagmiddag voor deze dag, toen we met ons drieŽn nog gezellig op visite kwamen in de ziekenkamer en oom Henk met Monique op schoot zat, en wij over dezelfde merels spraken.
En nu dit, ik kon het niet geloven. Ik legde mijn hand op Henk's voorhoofd, het voelde nog lauw aan. Zuster Tilly stond daar ook met tranen in haar ogen. Ik probeerde mama te troosten. Ik gaf een teken aan de zuster dat het maar beter was als we afscheid namen. Zij knikte.

Een vriendin van Tante To die wij in het heengaan ontmoetten, en die ook niets afwist van Henk's overlijden, was met ons meegegaan. Zij trapte de rugsteun van oom Henk, die tegen de muur stond, per ongeluk om, wat een harde klap gaf. Het ging me door merg en been.

Op de gang kwam daar nog de hoofdzuster van de afdeling. Ik vroeg haar naar bijzonderheden. 's Morgens was oom Henk nog heel goed geweest en had, zoals gebruikelijk, een uur op mogen zitten. Zuster had 's morgens naar Tante To gebeld dat zij in verband met de tentoonstelling in Den Haag, waaraan oom Henk mee wilde doen, gerust de schilderijen kon gaan klaarzetten voor de bodedienst. Zodoende wast Tante To deze morgen niet zoals anders rond 10 uur half 11 in het ziekenhuis. Omstreeks kwart voor elf moest Tante To drie maal kort achter elkaar opgebeld worden omdat het zeer slecht ging met oom Henk. Maar hoe vlug zij ook met de auto aankwam, het kon niet anders of zij kwam nog te laat. Onderweg naar de rŲntgenkamer klaagde oom Henk dat hij het heel erg warm kreeg en dat de zuster hem maar liever terug naar de kamer moest brengen. Nog op de brancard overviel hem een erge benauwdheid. Zij hebben direct nog met het zuurstofapparaat gewerkt, maar het mocht niet meer baten. oom Henk verloor het bewustzijn en stierf in een hevige hartkramp; in vijf minuten was alles afgelopen.


Lees verder ...

Terug naar Fragmenten uit Dagboek over Monique